Nooit zongen vogels harder

comments Reacties uitgeschakeld
By Rob Chrispijn, 21/01/2010 15:22

nooitzongenvogelsharderbrochure1


nooitzongenvogelsharderbrochure2


Het eerste exemplaar van deze bundel werd tijdens de hommage door Herman van Veen overhandigd aan Rob Chrispijn.


Hommage en meer

In het kader van het Amsterdams Kleinkunst Festival 2010 werd 29 maart een eerbetoon gehouden aan Rob Chrispijn in theater De Meervaart in Amsterdam. De avond werd gepresenteerd door Angela Groothuizen die dat op de haar bekende wijze deed: alsof het geen moeite kostte creëerde ze een warme en ontspannen sfeer waar iedere artiest tot zijn of haar recht kwam. De zeshonderd bezoekers zagen een keur van artiesten voorbijkomen: van Lenny Kuhr tot Heddy Lester en Leonie Jansen, van Hans Dorrestijn tot Herman van Veen, met verrassingen als Claudia de Brij, Peter Faber en vele anderen. Hoogtepunt voor velen was een optreden van studenten van THOPS, de opleiding van Selma Suzanne, die samen met Sanne Wallis de Vries een schitterende a capella uitvoering te gehore brachten van Kletsnatte Clowns, spatzuiver en gelijk, ondanks de interessante maatwisselingen die dit nummer kenmerkt.

Tegen het eind van de voorstelling werd Rob Chrispijn op het toneel geroepen en Angela kondigde de ‘burgemeester van Vledderveen’ aan. Omdat dat Vledderveen, woonplaats van Chrispijn, te klein is om een burgemeester te hebben, dacht Rob verzeild te zijn geraakt in een cabaretsketch van de plaatselijke toneelvereniging. Ook de zaal barste regelmatig uit in lachen om de droogkomische tekst. Maar de burgemeester ging zo onverstoorbaar door, dat zowel Rob als de zaal aan het twijfelen werd gebracht. Pas toen de woorden ‘het heeft hare majesteit behaagt’ werden uitgesproken, werd duidelijk dat Rob Chrispijn zowaar een lintje opgespeld kreeg. Mooi besluit van een schitterende avond.

(een deel van de optredens zullen eind mei in het radioprogramma op radio 2 Andermans Veren ten gehore worden gebracht – zie ook Chrispijns column over deze gebeurtenis onder Andermans Veren!)

Over Rob Chrispijn

comments Reacties uitgeschakeld
By Rob Chrispijn, 12/01/2010 14:34

Het is moeilijk wat over mezelf te zeggen zonder op te scheppen of, uit misplaatste bescheidenheid, mijzelf te kort te doen. Om dit dilemma te ondervangen is er een manager (Jan Willemsen) en bestaan er persberichten.
Daarmee kan ongegeneerd reclame worden gemaakt, zonder de waarheid al te veel geweld aan te doen. Zo laat ik anderen overdrijven en kom ik zelf makkelijk weg met de simpele vaststelling dat ik nu al 35 jaar liedteksten schrijf en het nog steeds leuk vind en dat ik nooit had gedacht nog een keer op de planken te staan met een theaterprogramma (Ogen met uitzicht op zee) en dat ik helemaal nooit had kunnen vermoeden dat ik zelf nog eens zou zingen op een eigen cd (Alles & Niets).
Rob Chrispijn schreef (lied-)teksten voor:
Stef Bos, Connie van den Bos, Lenette van Dongen, Hans Dorrestijn, Peter Faber, Marcel de Groot, Frank Groothof (e.a. van Sesamstraat), Angela Groothuizen, Frans Halsema, Leonie Jansen, Loeki Knol, Paul de Leeuw, Liesbeth List, Heddy Lester, Loes Luca (e.a. van Het Klokhuis), Gerard v/d Maasakker, Guus Meeuwisse, Danny de Munck, Tom Oosterhuis, Harry Sacksioni, Ernst Daniel Schmidt, Herman Van Veen.

‘Over Liedjes en Paddestoelen’ door Marion Groenewoud
Chrispijn is zijn carrière begonnen als chemisch analist. ‘Het fascineerde mij. Ik ken nog altijd heel wat chemische formules uit mijn hoofd. Het is een van de redenen dat ik zo gek ben van paddestoelen, dat zijn ook chemische fabriekjes. Maar dan wel een fabriek die in een nacht wordt opgebouwd en na een week weer spoorloos is verdwenen. Ik vond scheikunde fantastisch, het werk dat ik deed al veel minder en het de hele dag binnen moeten zitten een verschrikking’.
De bewerking van Leonard Cohens Suzanne was zijn eerste succes als tekstschrijver. Herman van Veen kreeg die tekst onder ogen bij Polydor, omdat Chrispijn bij deze zelfde platenmaatschappij bezig was met een eigen project ‘Tuig’geheten. Aan ‘Tuig’ werkten de gebroeders Pilgram en Hans van der Linden mee. Chris Pilgram heeft in Hermans begintijd muziek gemaakt voor nummers als ‘Windstil’ en ‘Ze boog zover voorover’ en Hans van der Linden verzorgt nog altijd het geluid bij de voorstellingen van Herman van Veen.
Zo’n vijftien jaar heeft Chrispijn intensief met Herman samengewerkt. Samen met componist en pianist Erik van der Wurff deden ze de produktie van Hermans platen. ‘We waren vooral een klankbord, want Herman wist meestal heel goed wat hij wilde, maar we vormden ook een soort redactie. Als een zin niet goed liep dan werd er over gediscussieerd. Ook gitarist Harry Sacksioni was iemand die op die manier invloed had op het eindproduct’.
Herman van Veen is in zijn theaterprogramma’s volgens Chrispijn vooral een zanger, een clown en een performer. ‘Ik heb nooit echt van puur cabaret gehouden. Ik moet er wel om lachen, maar ben het ook meteen weer vergeten. Teksten zijn vaak knap geschreven, maar na één keer horen, heb ik ze uit. Ik hou van liedjes die iets langer meegaan’.
Chrispijn gaf enige jaren les op de Kleinkunstacademie en introduceerde daar het begrip ‘emotionele logica’: Een tekst moet qua gevoel kloppen, je mag je als luisteraar niet afvragen ‘Zou dat nou?’ Voor de duur van het liedje moet je helemaal kunnen meegaan in wat de zanger of zangeres beweert. Daar moet je als tekstschrijver veel aandacht aan besteden: de ene zin moet zonder haperen uit de andere voortkomen. Tegelijkertijd is het de kunst om het wit tussen de regels zo groot mogelijk te maken, zodat het niet saai wordt. Kortom: de tekst moet vanzelf spreken maar mag niet voor de hand liggen!

Bundel “Ogen met uitzicht op zee”

comments Reacties uitgeschakeld
By Rob Chrispijn, 07/01/2010 11:16

In de tachtiger jaren kwam bij Harlekijn Holland de bundel ‘Chrispijn, 15 jaar liedteksten’uit. Dat boek is al eer een hele tijd uitverkocht. Dus een goede reden om 15 jaar later ‘Ogen met uitzicht op zee’uit te brengen.
Hierin zijn een dikke honderd liedteksten opgenomen. Het is een persoonlijke keuze uit wat ik in de loop van meer dan dertig jaar geschreven heb. En het zijn teksten die ik graag binnen handbereik heb wanneer ik voorlees op een dichteravond of op toneel sta in mijn eigen voorstelling ‘Ogen met uitzicht op zee’.
Dit tekstboek is te koop na afloop van de voorstelling, via de boekhandel of door bestelling bij Jan Willemsen (www of emailadres?). Per post kan ook: Stichting Hypoxylon, Jodenweg 1, 8385 GP Vledderveen.
De prijs bedraagt 13,50 Euro, inclusief verzendkosten.
ogenmuoz

Kind van Overzee

Indië,
dat mijn levenlang al Indonesië heet.
Mijn geboorteland waar ik steeds meer van vergeet
Zoals ik overdag al niet meer weet
wat ik deed
in mijn dromen.
Ik droom
van rose schelpen op een palmenstrand:
moeder, kind en speelpop, hand in hand,
rijpe mango’s, o, het verre Nederland
was een droom,
een nare droom.
Vreemd!

Als ik op tv naar al die beelden kijk:
de mensen arm, de generaals steenrijk
in een land dat niet meer op dat van vroeger lijkt.
Het lijkt een droom
toen ik afscheid nam.
Ik zei vaarwel,
waardoor ik ongemerkt gespleten ben
en daardoor één deel van mijzelf niet ken.
Alleen soms in mijn slaap hoor ik die stem:
een echo zonder zin of samenhang,
als een vreemdeling die nergens aarden kan
en rusteloos nog naar een plek blijft zoeken
die niet langer bestaat.
Ik droom
van verzoening tussen haast en kassian,
tussen Hollands bollenveld en palmenstrand,
waar het hart de rust krijgt waar het naar verlangt.
Op een dag,
op een dag…

(Geschreven voor Liesbeth List en door haar gezongen op de cd ‘Vergezicht’)

AAN HET STRAND STIL EN VERLATEN

Aan het strand stil en verlaten,
bij het vallen van de nacht,
ziet men daar een aardig meisje
dat angstig op haar vrijer wacht.
Toen zij hem gister uit ging zwaaien,
was hij nog vol goeie moed.
Bereid om voor zijn land te vechten.
Het uniform stond hem zo goed.
Maar zij dacht: O, liefste mijne,
ik ben zo bang voor wat er komt,
want de zee ligt vol met mijnen.
Maar zij zwaaide en hield haar mond.
Aan het strand stil en verlaten
treurt een meisje om haar vriend,
die net als zovele anderen,
een beter lot had verdiend.
Mannen willen graag marcheren.
Vrouwen juichen langs de kant.
Het is zo moeilijk af te leren:
sterven voor het vaderland.
Wie zo stom is om te zwaaien
naar mannen die ten oorlog gaan,
moet er een levenlang voor boeten
door eenzaam aan een strand te staan.

NIEUW : ONVERKLAARBAAR GELUKKIG

By Rob Chrispijn, 22/12/2009 20:12

ovklb2
ONVERKLAARBAAR GELUKKIG

Dit is de titel van het boek dat Rob Chrispijn, Martin Melchers en Fred Nordheim hebben geschreven over de natuur in Amsterdam (en de rest van Nederland). Met deze bundeling van verhalen, korte observaties, gedichten en veel foto’s vieren zij dat ze in 2004 zestig zijn geworden en dat ze al zo’n vijftig jaar vrienden zijn:

“Onverklaarbaar gelukkig” is te bestellen door 10 euro over te maken op postgiro 7877 219 t.n.v. Stichting Hypoxylon, Jodenweg 1, 8385 GP Vledderveen, met duidelijke vermelding van naam en adres. Het boek wordt u zo snel mogelijk toegestuurd. Mocht de eerste oplage uitverkocht zijn, dan komt u op een wachtlijst.

DRIE JONGENS, EEN PASSIE

Drie jongens ontmoeten elkaar in de grootste zandbak die Nederland ooit gekend heeft: de opgespoten velden van de westelijke tuinsteden en het Westelijk Havengebied van Amsterdam. Ont-moeten betekent niets hoeven. En dat klopte. Ver weg van de regelzucht en bevoogding van volwassenen waren deze velden een vrijplaats. Je kon er vogels kijken, nesten zoeken, planten bestuderen, in een schuiltent kruipen, door de bagger lopen, in de zon liggen, wegdromen, honderduit kletsen, kortom: je kon doen wat je wou. Een ongekende weelde die thuis en op school al zeldzamer werd, maar die naarmate wij opgroeiden steeds opnieuw veroverd moest worden.

Natuur was toen nog overal
voor niks, voor nop, voor niemendal.
Leeuweriken in de buitenwijken.
Voor wie de moeite nam te kijken,
was het bijzondere gewoon en pas na jaren
bleek wat een geluksvogels wij waren.

Rob Chrispijn (tekstdichter):
‘Temidden van een stel reuzen zwom en spetterde hij onbekommerd rond, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Biologen zijn altijd huiverig om aan dieren menselijke emoties toe te schrijven. Maar je moest wel stekeblind zijn om niet te zien dat dit eendje het ontzettend naar z’n zin had.’

Martin Melchers (fysiotherapeut en stadsecoloog):
‘Eindeloos scharrel ik met takken rond om de juiste boomvork te vinden, maar steeds als ik ga vlechten stort het nest in. Mijn respect voor eksters neemt zienderogen toe. Door klei en gras te gebruiken, lukt het me toch om op deze middag drie nesten te maken.’

Fred Nordheim (fotograaf bij Artis):
‘Dat daar van z’n lange lieve leven nog nooit een hagedis ook maar aan had gedacht om zich op die plek te vestigen, hield ons niet bezig. We besloten om ze een zachte landing op het water te laten maken. Klootzakken waren we, maar aardige klootzakken.’

Drie natuurliefhebbers doen verslag over de natuur in Amsterdam en de rest van Nederland. Zij behoren tot de ’spuitveldgeneratie’, jongens die een groot deel van hun jeugd doorbrachten op de opgespoten velden van Amsterdam. Daar zagen zij hoe kale zandvlakten zich ontwikkelden tot terreinen met een weelderige begroeiing en een rijk dierenleven. Veel van deze velden deden niet onder voor officiële natuurgebieden, maar hadden het voordeel dat je er kon doen en laten wat je wou. ‘Elk voordeel heb z’n nadeel’ om met een tijdgenoot te spreken. Naarmate de economie aantrok, moesten de spuitvelden plaatsmaken voor de oprukkende industrie.
Dankzij hun jarenlange waarnemingen – die zich uitstrekken over een periode van vijftig jaar – waren zij getuige van de grote veranderingen die zich in ons land hebben voorgedaan. De buidelmees verscheen, de kuifleeuwerik verdween. Ekster, fuut en aalscholver trokken de stad in. Beken werden gekanaliseerd en mochten een generatie later weer kronkelen. Natuur werd een product, maakbaar en verplaatsbaar.
Dit boek is een bundeling van korte observaties en langere stukken die een intense aandacht en liefde voor de natuur gemeen hebben. Zonder opsmuk schreven zij op wat hen heeft ontroerd en verwonderd. In de vaak hilarische verhalen maken zij de lezer deelgenoot van hun belevingswereld.

HET PARADIJS (Rob)

De Kabelweg was de naam voor een opgespoten veld op de plek waar nu de auto’s op de ringweg vaak in de file staan voor de Coentunnel. Het bleek veel minder ver fietsen te zijn dan ik had gedacht. Het zand was schaars begroeid met graspollen, er lagen schelpenbanken en er was een ondiep meertje waar ook in droge zomers water bleef staan. Dat laatste was belangrijk, leerde ik, want dat bepaalde of jonge plevieren en andere nestvlieders tot in de zomer voldoende insecten konden vangen in de vochtige vegetatie langs de waterkant. Ik leerde nog meer. Want hier liepen jongens rond, die weliswaar van mijn leeftijd waren, maar duidelijk echte kenners. Dat zag je meteen. Ze hoefden ook niet op te scheppen, ze lieten gewoon een paar nesten zien. Dat gebeurde met een vanzelfsprekendheid die jarenlange ervaring verraadde. Ze wezen op een met schelpengruis bekleed kuiltje waar een Kleine plevier vier vaag lila gestippelde, zandkleurige eieren in had gelegd. Het duurde een paar seconden voor ik ze zag, zo goed was hun schutkleur tegen een achtergrond van zand en schelpen. Ik was er stil van. Met een visdiefnest was ik al heel erg blij geweest. Van dat van een Kleine plevier had ik nooit durven dromen. De jongen die Fred heette, maar door iedereen Snor of Snorrie werd genoemd, was bezig om op een laag statief een klapcamera te bevestigen. Aan de ontspanner zat een dun draadje wat zes meter verderop naar een plek leidde waar Snor onder een vale oude jas ging liggen. Of ik even voor hem wilde weglopen. Ik was natuurlijk maar al te graag bereid om iets terug te doen.
De meeste vogels kunnen slecht tellen. Dus als ze iemand weg zien lopen, denken ze al gauw dat het gevaar geweken is. Natuurlijk stond er dan nog wel dat zwarte apparaat voor z’n snufferd en verderop lag een lap die soms scheen te bewegen. Dus het duurde wel even voor de broeddrift het won van de terechte argwaan. Vanaf een verderop gelegen grasdijk lag ik te kijken of de plevier op het nest kwam. Na een kwartier zeg ik dat Snor een hand opstak en kwam ik weer het veld oplopen, zodat de Kleine plevier opvloog en niet zag hoe er vanonder de jas een mens te voorschijn kwam. Want dan vertrouwde hij de zaak niet meer en zou het veel langer duren voor hij misschien eindelijk toch nog op de eieren ging zitten. De film werd doorgedraaid, de sluiter gespannen en ik moest opnieuw weglopen. Het was wel een manier om je geliefd te maken! Op het dijkje lag inmiddels ook Martin. Hij was een vriend van Snor en had de scherpste ogen van iedereen. Vaak leek het of hij zonder kijker beter zag waar een Kemphen door het gras sloop dan ik met kijker! Martin vertelde dat ze al een tijdje hoopten dat de Kemphaan hier ging broeden. Kievit, Tureluur, Grutto, Kluut en Kleine plevier broedden al op de Kabelweg, maar het zou heel bijzonder zijn als de meest veeleisende weidevogels Kemphaan en Watersnip het ook zouden proberen. Dat is een aantal jaren later inderdaad gebeurd. Het gebied was toen op z’n top met een afwisseling van hoger gras, losse pollen, zandbanken en waterpartijen. Dat een schuwe soort als de kemphaan zo dicht bij de stad ging broeden was al bijzonder, het werd helemaal wonderbaarlijk toen Martin een nest vond met lichtblauwe eieren. Normaal legt de Kemphen bruine eieren met donkerder stippen, net zoals die van de Kievit of Tureluur. Deze lichtblauwe eieren leken van een ander planeet te komen. Onze opwinding bedaarde wat toen we later van Meneer Walters hoorde dat uit de literatuur zeldzame gevallen bekend waren van lichtblauwe Kempheneieren. Meneer Walters was een van de weinige volwassenen die we op de Kabelweg tegenkwamen. Hij had een baan, droeg een keurig pak en bereed een zwarte herenfiets. Wij zeiden daarom altijd keurig meneer tegen hem. Hij was onze vraagbaak, speciaal op het gebied van plevieren leek er weinig te zijn wat hij niet wist.
Behalve de Kemphaan kwam ook de Watersnip hier tot broeden. Al even heimelijk als de eerste. Ik kan me ook niet herinneren dat ik hem heb horen baltsen, terwijl wij in het voorjaar tocht vrijwel elke dag minstens enkele uren in het veld waren. Kluten daarentegen waren niet te missen. Elegante maar luidruchtige types die met een kleine tien stuks op de meest kale delen rond de plas broedden. Eenmaal hadden wij het geluk een Kluut in het veld te hebben wiens broeddrift zo groot was dat hij zich niet of nauwelijks van de eieren liet verjagen. Hield je een paar meter afstand dan bleef zij – of hij, er is op het oog geen verschil – rustig zitten broeden. Iedereen die maar even een fototoestel kon vasthouden, heeft er wel een foto van gemaakt. Met iedereen bedoel ik de hooguit tien mensen die de Kabelweg bezochten. Je herkende elkaar op 200 meter afstand. Wie vreemd was werd met vereende krachten zo snel mogelijk het terrein uitgekeken. Een ontmoedigingsbeleid dat zelden hoefden worden toegepast, want vogels kijken was in de zestiger jaren weinig populair. Men zag het als een afwijking die je maar beter voor je kon houden. Voor afwijkende types zoals wij, was de Kabelweg een paradijs. En hoewel de meeste van ons, jong als wij waren, ons konden verheugen op verrassende wendingen die zich in ons leven konden voordoen, hoopten wij allemaal vurig dat hier in dit gebied alles bij het oude zou blijven. Een vrome wens!

OOG GROTER DAN DE MAAG (Martin)

In een telefoontje naar afdeling stadsecologie maakt een aannemer melding van kikkerdril in een vijver achter een garage die hij aan het afbreken is. Deze man houdt van de natuur en hij vindt het jammer als het dril verloren gaat. Als ik dezelfde dag langs kan komen dan legt hij het werk wel even stil. Met twee grote emmers meld ik me twee uur later op de afgesproken plaats. “Ik loop wel effe met u mee”, zegt de aannemer en hij loodst me achter wat steenhopen langs naar wat ooit een binnentuintje is geweest. In de half afgebroken vijver liggen wel vijftig schollen dril van bruine kikkers. Op de rand staat een blauwe reiger. Voor hem zie ik een bruine kikker zwemmen. De reiger buigt langzaam door zijn poten en maakt een stotende beweging naar de kikker, maar pakt hem niet. Nu dringt past tot me door wat er aan de hand is. Er zwemmen wel honderd grote bruine kikkers. De reiger wil ze nog wel pakken, maar hij zit tot aan zijn strot toe vol. Bol, met nog een zichtbaar bewegende kikker in zijn lange hals, staat hij glazig naar het overheerlijke maal te kijken. Er kan echt geen kikker meer bij.
Dat reigers soms van geen ‘ho’ weten als het op eten aan komt, had ik al eens gezien toen een beroepsvisser zijn vangst stond te sorteren. Reigers kennen de goede plekken in de stad en deze stond naast de visser op een hoge stenen loswal vis in ontvangst te nemen. Een beschadigde blankvoorn ging soepel naar binnen, een gammel baarsje en een mooie blei was de laatste vis die ik nog registreerde. Informerend naar bijzondere vangsten vlogen er steeds vissen richting reiger. “Die kan wat op”, zei ik vol ontzag toen de stroom visafval gestopt was. De reiger schudde even zijn veren en maakte aanstalten om weg te vliegen. Met een sierlijke vleugelslag maakte hij zich los van de kademuur en dook loodrecht het water in. Hij was te zwaar beladen en moest met een schepnet worden gered. Hij werd op de kant gezet waar hij onrustig heen en weer begon te hollen. Waarschijnlijk om te spijsvertering wat te stimuleren. Dieren kunnen zich letterlijk dood eten.

EENDJE, TWEETJE, DRIETJE…(Fred)

Ik fietste naar huis langs de rij gebouwen aan de achterkant van Artis. Hoog boven mijn hoofd hoorde ik een gepiep dat mij bekend voorkwam. Het was het gepiep van jonge eendjes. Toen ik stopte, klonk naast mij gekwaak, eendengekwaak. Verbaasd nam ik het geheel in mij op.
Jan, de loodgieter van Artis, was op ditzelfde moment aan het werk op het dak. ‘Zie jij soms jonge eendjes?’, vroeg ik hem. Hij keek me aan of ik gek was; dat doen er wel meer in Artis. ‘Kijk even of je ergens jonge eendjes ziet’, bleef ik aandringen, ‘waarschijnlijk in de dakgoot’. Zijn verbazing was al even groot als die van mij, want in de dakgoot krioelde het van de jonge eenden. Op hetzelfde ogenblik klonk er bij mijn voet een dof plofje. En daar lag een jong eendje. Nog een plofje en daar lag een jong tweetje. Een derde maakte zich los van de dakgoot. Dat werd teveel voor mijn vaderhart: hup, vangen! En zo gebeurde het dat ik van links naar rechts huppend zo’n acht eendjes kon opvangen. Moeder stond naast mij en liet mij rustig begaan. Samen met de kinderen zijn we toen de parkeerplaats van Artis overgestoken. Na zo’n honderd meter sprong moeder met haar kroos letterlijk tussen de wal en het schip in het Etrepotdok. ‘The End’ als in een ouderwetse Amerikaanse film met een happy end ontbrak nog. Als fotograaf in een heldenrol kan je jezelf nooit fotograferen, maar wel tekenen natuurlijk. (In het boek volgt dan een tekening van Fred)

ONVERKLAARBAAR GELUKKIG

Er zijn veel manieren om je verjaardag te vieren. Omdat we dit jaar alledrie zestig zouden worden, besloten we een boek te schrijven over een onderwerp dat ons al ons hele leven bezighoudt: de natuur in en om Amsterdam.
Je zou kunnen zeggen dat wij tot de ‘ spuitveldgeneratie’ behoren, jongens die een groot deel van hun jeugd doorbrachten op de opgespoten velden van Amsterdam. Gratis en voor niks zagen we hoe kale zandvlaktes zich ontwikkelden tot weelderig begroeide savannelandschappen waar fitis, blauwborst en nachtegaal zich thuis voelden. Dit boek geeft met meer dan zestig foto’s een beeld van het ‘ Wilde Westen’ van Amsterdam, over een periode waarin zich ook in de rest van Nederland op natuurgebied grote veranderingen hebben voorgedaan.

Als een verjaarscadeau aan ons zelfverschijnt in de loop van november “Onverklaarbaar gelukkig”, een bundeling observaties en verhalen over boze hazen, een linke sperwer, patatratten en een wandelende vogelschuilhut.
De titel slaat op de ontroering die je soms kan overvallen als je vroeg in het voorjaar opeens de eerste grutto hoort, of een spreeuw ziet die in vervoering zijn vleugels spreidt en een fluitconcert geeft op een afvalbak bij de Albert Cuyp.

Om het uitkomen van dit boek tot een feestelijke gebeurtenis te maken, nodigen wij u uit om op woensdagmiddag 24 november, vanaf vijf uur aanwezig te zijn in:

Kanaal 10 – Plantagedoklaan 8-12
(Voorbij de hoofdingang van Artis, eerste straat links)

Die middag zal ons boek op gepaste wijze gepresenteerd worden. Dit prachtboek zal daar ook verkrijgbaar zijn, tegen de weggeefprijs van 8 euro! (Winkelprijs een paar euro meer)
Dus koop voor de feestdagen een flinke stapel en geef met gulle hand aan vrienden en bekenden – een tip van Fred (zoon van een marktkoopman)

Martin Melchers, stadsecoloog van Amsterdam
Fred Nordheim, fotograaf van Artis
Rob Chrispijn, tekstdichter

MIS

Als jongen dook ik naar een hagedis
die in de zon zat; ‘t scheelde ‘n haartje.
Ik dacht nog wel: Ik heb hem! Maar ‘t was mis,
ik had alleen het staartje.

Hoe dikwijls dook ik later niet naar dingen
en bleek dat achteraf nét mis.
Mazzel valt niet af te dwingen,
geluk is net een hagedis!

www.robchrispijn.nl

CD Alles & niets

By Rob Chrispijn, 22/12/2009 20:09

cd_cover_alleson

ALLES & NIETS

Hij wilde springen,
maar bedacht op de fiets:
de kern der dingen
is alles & niets!

Oorspronkelijk was het de bedoeling om een registratie te maken van een aantal nummers die Jansen, Tijssen en Chrispijn tijdens de voor stelling ‘Ogen met uitzicht op zee’ ten gehore brengen. Maar terwijl we bezig waren met de opnamen in de studio van John Paul Tijssen, gingen wij gaandeweg steeds hogere eisen stellen. En zo liep dit project uit de hand en werd het van een simpele registratie tot een heuse studio-cd. Al met al hebben we er, met flinke tussenpozen, ruim anderhalf jaar aan gewerkt. Ook werden steeds meer bevriende muzikanten en zangers/zangeressen ingeschakeld.
Dit alles is uitgemond in een zeer afwisselende cd met nummers die variëren van een ingetogen ballade tot regelrechte salsa, van vrolijk tot schrijnend, van kinderlijk naief tot maatschappijkritisch. Daarmee vormt het een staalkaart van mijn werk.
De muziek is van Gerrit Jansen en van John Paul Tijssen, terwijl we ook een paar bestaande nummers bewerkt hebben, zoals ‘Regels van het gesticht’van Herman van Veen en ‘Arme schapen’ van Stef Bos.
Veel nummers worden gezongen door Gerrit Jansen, soms met een tweede stem van John Paul Tijssen. Ik zing vier stukken, waarvan een met Herman van Veen en Lenette van Dongen. Ook Leonie Jansen, Angela Groothuizen, Heddy Lester en Nard Rijnders zijn op ‘Alles & Niets’te horen.

Te bestellen door overmaking van Euro 14,50 (incl. verzendkosten) naar postgiro 271 8752 t.n.v. Rob Chrispijn – Vledderveen met duidelijke vermelding van het adres waar de CD naar toe gestuurd moet worden.

email: rob.chrispijn@hetnet.nlDes te beter

muziek van John Paul Tijssen en gezongen door Gerrit Jansen (2 de stem John Paul Tijssen, koortje: Paulien Adriana en Amber Schoop)

Een fijne jongen
>
muziek en zang van Gerrit Jansen

Hebben en Houden

zang Rob Chrispijn en Leonie jansen

Hou me vast

muziek en zang gerrit Jansen (koor John Paul Tijssen en Rob Chrispijn)


EEN FIJNE JONGEN
(muziek: Gerrit Jansen)

ZANG Gerrit Jansen
KOOR John Paul Tijssen
GITAAR Gerrit Jansen
TUBA Hans Koppes
MANDOLINE Soren Venema

DES TE BETER (muziek: John Paul Tijssen)

ZANGGerrit Jansen (2e stem) John Paul Tijssen
KOOR Paulien Adriana en Amber Schoop
GITAAR EN QUATTRO John Paul Tijssen
SHAKERS, DRUM EN PERCUSSIEPROGRAMMERING Jeroen de Rijk
BAS, PIANO EN SYNTHESIZER John Paul Tijssen
SAXOFOON Remko Smit-Stalenhoef
TROMPET Dirk Beets

(muziek: Harry Bannink)

ZANG Rob Chrispijn
KOOR Gerrit Jansen en John Paul Tijssen
GITAAR John Paul Tijssen, Gerrit Jansen
SYNTHESIZER/STRINGS John Paul Tijssen

INZET (muziek: Gerrit Jansen)

ZANG Gerrit Jansen met Angela Groothuizen, Heddy Lester, Leonie Jansen, Rob Chrispijn en John Paul Tijssen
GITAAR, QUATTRO, ACCORDEON John Paul Tijssen
CONTRABAS Tom Kwakernaat

HEBBEN EN HOUEN (Traditional)

ZANG Rob Chrispijn
GITAAR John Paul Tijssen
SYNTHESIZER/STRINGS John Paul Tijssen

LEVE DE MONGOLEN (muziek: John Paul Tijssen)

ZANG Gerrit Jansen
KOOR John Paul Tijssen, Gerrit Jansen, Rob Chrispijn
KINDERKOOR Lisanne Tijssen, Anne en Marthe Wouters, Marieke en Wouter Bos
GITAAR, BAS, SLAGWERK, PIANO, SYNTHESIZER John Paul Tijssen
SAXOFOON Remko Smit-Stalenhoef

WONDERWAT (muziek: Laurens van Rooyen)

ZANG Gerrit Jansen
GITAAR Gerrit Jansen
BAS, STEELDRUM, PERCUSSIE John Paul Tijssen

TEDDYBERENPICKNICK (muziek: Bratton/Kennedy)

ZANG Rob Chrispijn, Gerrit Jansen en Nard Rijnders
GITAAR Gerrit Jansen, John Paul Tijssen
CONCERTINA (BAS, BARITON EN TREBLE) Willem Wakker
TUBA Hans Koppes
´FLUITEN´ John Paul Tijssen

HOU ME VAST (muziek: Gerrit Jansen)

ZANG Gerrit Jansen
INTRO Rob Chrispijn
KOOR John Paul Tijssen, Rob Chrispijn en Gerrit Jansen
GITAAR Gerrit Jansen, John Paul Tijssen
ACCORDEON, PIANO John Paul Tijssen

OM HET HARDST (muziek: Gerrit Jansen)

ZANG Gerrit Jansen
GITAAR Gerrit Jansen
ELECTRISCHE PIANO, SYNTHESIZERSTRINGS John Paul Tijssen
TROMPET Jeroen Zeilstra

HEREN MET SPEREN (muziek: John Paul Tijssen)

ZANG John Paul Tijssen, Gerrit Jansen en Rob Chrispijn
KOOR Tom de Jong, Gerrit Jansen, Rob Chrispijn, John Paul Tijssen
PERCUSSIE, SYNTHESIZER, VOCALE PERCUSSIE John Paul Tijssen

ARME SCHAPEN (muziek: Stef Bos en F. Wildemeersch)

ZANG Gerrit Jansen
GITAAR Gerrit Jansen
BAS, PIANO, SYNTHESIZER John Paul Tijssen

REGELS VAN HET GESTICHT (muziek: Herman van Veen)

ZANG Gerrit Jansen
KOOR John Paul Tijssen
VOCALE PERCUSSIE John Paul Tijssen
GITAAR, BAS, SLAGWERK, SYNTHESIZER John Paul Tijssen

NOEM HET TOEVAL (muziek: John Paul Tijssen)

ZANG Rob Chrispijn
KOOR John Paul Tijssen
GITAAR, BAS, SLAGWERK, SYNTHESIZER John Paul Tijssen


TEKSTEN Rob Chrispijn
ARRANGEMENTEN John Paul Tijssen

PRODUCTIE John Paul Tijssen, Gerrit Jansen, Rob Chrispijn

OPNAME Giopati Studio (Herengracht 611,Amsterdam, 020-4235050)
MASTERING Mikel Leroy
ONTWERP Michel Jongeneel
FOTOGRAFIE Fred Nordheim
BELETTERING Frits Jonker

MANAGEMENT Theaterproducties Jan Willemsen
Voor boekingen en informatie: 0546-861958 / 020-6838098
email: janwillemsen@home.nl
www.janwillemsen.nl

MET DANK AAN: Kees Taal, Jan Calf, Hessel van de Wal, Jan James, Leonie Jansen, Herman van Veen, Daphne Jongeneel, Nanine Jongeneel en Emma van Lohuizen

www.robchrispijn.nl

Theatervoorstellingen

By Rob Chrispijn, 22/12/2009 20:08
‘OGEN MET UITZICHT OP ZEE’ met Gerrit Jansen en John Paul Tijssen
Boekingen en reserveringen:

Jan Willemsen theaterprodukties, tel. 0546-861 958 / 020- 683 8098
email: janwillemsen@introweb.nl
internet: www.janwillemsen.nl

 

PERSBERICHT (n.a.v. het theaterprogramma ‘Ogen met uitzicht op zee’):
Samen met zijn twee voortreffelijke muzikanten schept Rob Chrispijn een sfeer van aangename ongedwongenheid, waarin op een lichtvoetige manier de vele kanten van het menselijk tekort en het maatschappelijk teveel worden belicht.
Rob zingt, vertelt en draagt voor. Het is net alsof hij zich nog steeds een beetje verbaast over zijn nieuwe rol, wat zijn optreden heel ontwapenend maakt.
Hij kan putten uit een rijk en buitengewoon gevarieerd repertoire, geschreven voor artiesten als Herman van Veen, Liesbeth List en Peter Faber en voor programma’s als Sesamstraat en Het Klokhuis.
Het programma wordt gedragen door de fraaie muziek van de twee veelzijdige muzikanten. Ze zijn virtuoos op gitaar en toetsen, en kunnen ook nog eens prachtig zingen. Bovendien worden zij door verworvenheden van de digitale techniek ondersteund door percussie, accordeon en strijkers, waardoor het programma uitgetild wordt boven een doorsnee kleinkunstavond.
Het is een belevenis om te horen hoe een tekschrijver die liedjes schreef als Suzanne, Rozengeur, Algebra, Kletsnatte clowns, Melk & honing en Kinderen een kwartje een geheel eigen interpretatie van die beroemde nummers geeft. En dat doet hij met zoveel overtuiging dat je denkt: Ja, zo had hij het in zijn hoofd toen hij die teksten schreef.
 
Madeleine Rood in Zwolse Courant/Nieuwsblad van het Noorden
Hij moest er 55 voor worden om uiteindelijk achter de schermen vandaan te komen. Nu staat hij zelf op het podium, met zijn eigen teksten, zijn stem en zijn gitaar. Tekstdichter Rob Chrispijn (Van ‘Suzanne’, ‘Kinderen een kwartje’) toert met gitarist Gerrit Jansen en gitarist/toetsenist John Paul Tijssen door het land. Het belangrijkste: dat hij het leuk vindt.

Muziek heeft nooit in zijn genen gezeten. Hoewel hij een beetje gitaar kan spelen, is hij eigenlijk a muzikaal. Een onderwijzer maande hem ooit op de lagere school in Slotermeer niet zo te brommen bij het zingen. Hij hield het vanaf toen maar bij playbacken in de klas.
Geen muzikale carrière dus; hij werd laborant. Totdat hij inzag dat het leven wel erg naargeestig werd met zulk eentonig werk. Hij werd vervolgens fotograaf, maar ook dat beviel niet en hij nam ontslag. “mijn moeder vroeg toen lichtelijk wanhopig: Maar jongen, wat wil je dan? Ik antwoorde ‘iets in de muziek’, maar voelde zelf ook wel dat dit tamelijk belachelijk klonk”. Inmiddels staat zijn naam op menig elpee en cd.
Een paar jaar geleden werd hij gevraagd om in het theaterprogramma ‘Soms hoor ik onverwacht’ op te treden, een programma waarin dichters voordragen uit eigen werk. Hij wilde niet (’Een beetje voorlezen, dat leek me zo stom’), maar werd overgehaald. ‘En zo voor mensen te staan bleek toch veel leuker dan ik had gedacht’. Later vroeg impressario Jan Willemsen om alleen iets te gaan doen en met de bevriende gitarist Gerrit Jan Schmidt ontstond het idee om een selectie van zijn teksten op muziek te zetten en wat te gaan repeteren. Alleen als ze het leuk vonden. En jawel, dat vonden ze en inmiddels treden ze kriskras door het land op, samen met John Paul Tijssen. 
Chrispijn vertelt op toneel ontwapenend over kleine gebeurtenissen en de herkomst van sommige liedjes en gedichten. Voor het programma dook hij in de hele verzameling teksten die hij sinds 1968 geschreven had. ‘Ja, er lag vrij veel. Een heel kapitaal’. ‘Suzanne’ natuurlijk, maar ook teksten die hij zelf bijna vergeten was, zoals ‘Heren met speren’, dat eigenlijk voor Adèle Bloemendaal was bestemd. ‘Dit zijn teksten die ik graag om me heen heb, als ik voorlees’. Ze zijn inmiddels gebundeld in “Ogen met uitzicht op zee”. En daaruit zingt hij en draagt hij voor.

 

VOORSTELLING ‘Soms hoor ik onverwacht’

Al een jaar of vijf doe ik af en toe mee aan ‘Soms hoor ik onverwacht’, een theaterprogramma waarin enkele tekstdichters voordragen en van gedachten wisselen onder aanvoering van Kick van der Veer of Jacques Klöters. Vast onderdeel van dit programma is een optreden van Alex Roeka, een zanger waarvan er in Nederland geen andere is.
‘Soms hoor ik onverwacht’ wordt omschreven als een literair programma. Dat klinkt zwaarwichtiger dan het is, want het is vooral onderhoudend en geestig. Het publiek is na afloop altijd zeer enthousiast.
De samenstelling van dichters en opperstalmeester wisselt. Dat maakt het extra leuk om er aan mee te werken, want elke avond is daardoor anders. Niet alleen varieert wat we op zo’n avond voorlezen, maar ook de onderwerpen die aan bod komen zijn nooit hetzelfde. Het kan gaan over het verschil in schrijven voor kinderen of voor volwassenen, samenwerken met Harry Bannink of welk voorval aanleiding tot een lied kan zijn. Kortom: een blik achter de schermen, een kijkje in de keuken, iets dat door het publiek zeer op prijs wordt gesteld.(Tekst-)dichters die u in dit programma kunt tegenkomen, zijn:
Jana Beranova, Jan Boerstoel, Rob Chrispijn, Diann van Faassen, Jean Pierre Rawie, Driek van Wissen, Harry Zevenbergen.

Werk voor kinderen

By Rob Chrispijn, 22/12/2009 20:06
Een keer of vijf per jaar krijg ik een videoband in de bus met daarop een aantal reportages over onderwerpen als bermbeheer, Friese paarden of kitesurfing. De bedoeling is dat ik daar een liedtekst bij schrijf of een sketch.
Er zijn geen verdere aanwijzingen. De Klokhuisredactie laat de auteurs volledig vrij. Het moet natuurlijk wel begrijpelijk zijn voor kinderen, maar welke invalshoek je kiest en hoe je dat onder woorden wil brengen, mag je helemaal zelf weten. En dat maakt het werken voor Het Klokhuis nou zo leuk!

Voor een reportage over schoolmeubilair:

MARS

Ik wil niet leuk doen.
Ik wil niet meedoen
met de rest; ik ben het zat.
Ik maak geen werkstuk.
Ik wil geen spreekbeurt.
Ik heb het helemaal gehad!

De meester heeft aan mij een hekel,
want ik lig altijd dwars.
Ik wil uitgewisseld worden
met een basisschool op Mars.

Daar kan je hollen.
Daar kan je stilstaan.
Niemand zeurt er aan je kop.
Je kan er zwijgen.
Je kan er schreeuwen.
Ja, daar knap ik vast van op.

Mijn vader heeft aan mij een hekel,
want ik lig altijd dwars.
Ik wil uitgewisseld worden
met een basisschool op Mars.

Of op Jupiter of Venus
Ja, het is me menens!

Ik wil uitgewisseld worden
met een school op Mars.
Want de mensen hier op aarde
interesseren mij geen snars.

Behalve Wilma
maar die wil me
niet meer zien.
(zacht) Trut.

Hennie Vrienten schrijft de meeste muziek voor Het Klokhuis en speelt ook vaak mee tijdens de opname.

Voor een reportage waar het onderwerp Visquota aan bod kwam:

(Twee pinguins begroeten elkaar. Achter hen de contouren van een stad)

A: Warm he?
B: Zeg maar benauwd.
A: Maar we zijn hier ook niet voor onze lol!
B: We kunnen toch wel even gaan stappen?
A: Geen tijd, we moeten naar die visserijconferentie!
B: Lekker (stampt op de grond), nou eens niet met m’n blote poten op zo’n kouwe ijsschots.
A: Nou zijn er eindelijk eens een paar specialisten op zo’n conferentie!
B: (Afwezig) Dat werd tijd.
A: Wij weten tenslotte exact hoeveel vis er in zee zwemt en dus ook hoeveel die vissers mogen vangen. Hun visquotum zogezegd. Ja, wij zijn echte specialisten.
B: (Staat om zich heen te kijken) Precies echte… over wie heb je het eigenlijk?
A: Over ons natuurlijk, sukkel. Wij zijn toch specialisten. Wij weten toch alles van vis!
B: Zeker… Poon, geep, harder…
A: Wij kennen alle vis van binnen en van buiten.
B: Kibbeling, ansjovis, schol, bot…
A: Vooral van binnen (wrijft over zijn buik).
B: (Steeds meer wegdromend) Makreel, sardine, sprot, knorhaan…
A: Hee, je hoeft ze niet allemaal op te noemen.
B: Zeebaars, butskop, kwab-aal, glasaal…
A: Hou nou op! Als je zo doorgaat nemen ze ons straks helemaal niet serieus!
B: Kabeljauw, schelvis, haring…
A: Haring! Wat krijg ik daar opeens trek in.
B: Ik lust wel een hele school!
A: Daar staat een haringkar.
B: Haringkar?
A: Hier eet je haring aan een kar. Of wou je soms zo in de plomp springen?
Doe toch een beetje beschaafd!
B: Praat niet zoveel. Kom op!
(Ze zetten zich schommelend in beweging)
A: Hoeveel haringen ga jij eten?
B: Hééél veel. Voor pinguins geldt geen quotum!
(Triomfantelijk geven ze elkaar een high five met hun vlerken

Marja Verburg in de Zwolsche Courant:

Voor kinderliedjes put Chrispijn vaak uit zijn eigen jeugd. ‘Het kost me weinig moeite om me te herinneren hoe ik zelf was op een bepaalde leeftijd. De eerste verliefdheid toen ik een jaar of acht was. Zo hevig, dat ik alleen maar kon blozen. Maar nog groter was de passie voor voetballen. Als het maar even kon, naar buiten en een partijtje spelen. Of de eenzaamheid toen ik naar de middelbare schoel moest. Met al die vakken waar ik het nut niet van inzag. Nu heb je als kind meer keuze, maar er is nog steeds dwang. Zo kwam ik op ‘Pretpakket’: Kies altijd voor het pretpakket, Er is al zoveel dat je moet, doe wat je het liefste doet. Niet zo pedagogisch, maar Kinderen voor Kinderen moet vooral niet te braaf worden’.
Als hij voor ‘Het Klokhuis’schrijft, is hij meer bezig met welk effect het zal hebben op het jeugdige publiek. ‘Daar is het programma ook naar en daar hebben ze de acteurs voor, neem alleen al Loes Luca. Ik hou van grappige liedjes. De komische kant kan door aankleding en uitwerking versterkt worden. ‘Blijf klein’ is een oproep aan alle kinderen om klein te blijven, want het is toch al zo vol in Nederland. Loes Luca zingt dit lied in een decor van een giagantische tafel en stoelen. Dat geeft zo’n mooi effect en daardoor zoveel response dat ze dit nummer veel hebben moeten herhalen. Maar bij Klokhuis is alles mogelijk. Ook een ernstig nummer als ‘Stormvloedkering’ wordt toegejuicht. Daarom is het zo leuk om aan dit programma mee te werken: auteurs hebben volledig de vrije hand. De enige restricties zijn: gaat het niet over de hoofden van de kinderen heen en is het te verwezenlijken binnen een bepaald budget. Met die beperkingen valt te leven’. 
‘Zeker als je schrijft voor kinderen is het de kunst om aan wat zwaardere onderwerpen toch een lichte toets te geven. Een liedje voor Sesamstraat heet ‘Rombom’ en gaat over een jongetje dat onzettend boos is. Dus slaat hij keihard op zijn trommel: Rombom! Maar als zijn vader thuiskomt, houdt hij zich muisstil, want zijn vader kan harder slaan dan hij. Dan weet je ook meteen waarom hij zo boos is. Maar het blijft vitaal: aan het eind van het liedje slaat hij weer keihard op zijn trommel. Dat is natuurlijk ook het leuke van liedjes: door de muziek blijft het altijd iets vitaals houden. Vooral met de muziek die Harry Bannink altijd componeerde’.

 

 

 

DE WOLF DIE VAN MENSEN HIELD

Op de cd van ‘De wolf die van mensen hield’ staan alleen de zangnummers. De gesproken teksten ontbreken dus. Om het verhaal toch goed te kunnen volgen, wordt ieder nummer toegelicht met de volgende regels: 1. Vlakbij een dorp ergens in Nederland kamperen schoolkinderen in een bos. Hun schoolreisje wordt wel heel spannend als ze midden in de nacht wakker worden van wolvengehuil. Het hele kamp is in rep en roer. De volgende dag komt zelfs het jeugdjournaal langs voor een reportage. Het blijkt dat al langer het gerucht gaat dat een wolf zich hier in de bossen schuilhoudt.
2. Een van de schoolkinderen heet Dorien. Nieuwsgierig loopt zij in haar eentje het bos in. Zij zou dolgraag een wolf in het wild willen zien. Bart is haar stiekem gevolgd. Hij is een beetje verliefd op Dorien. Maar van wolven moet hij niets hebben.
3. In het dorp doen de wildste verhalen de ronde. Die wolf zou al heel veel dieren hebben gedood. Zijn vraatzucht moet enorm zijn. Het wordt hoog tijd dat de burgemeester er iets aan doet.
4. Overal worden affiches opgehangen met een foto van de wolf. Gezocht: Dood of leven! De burgemeester beweert zelfverzekerd voor de tv-camera dat het probleem met die wolf spoedig opgelost zal zijn.
5. De jagers komen in actie. Ook zij blaken van zelfvertrouwen. Het zijn zulke scherpschutters dat de wolf geen enkele kans maakt. Maar tijdens de jacht kost het de wolf weinig moeite om de jagers voor de gek te houden. Hij sluipt tussen hen door zonder dat ze iets in de gaten hebben.
6. Dorien is heel blij dat de jagers steeds mis hebben geschoten. Maar Bart is het daar absoluut niet mee eens. De wolf is veel te gevaarlijk om zo maar vrij rond te mogen lopen. Dorien verdedigt de wolf. In de klas vormen zich twee groepen die lijnrecht tegenover elkaar staan.
7. Dorien vindt alle mensen die zo verontwaardigd zijn omdat de wolf wel eens een kip of een eend pakt maar huichelachtig. Als je zelf vlees eet is het raar om een wolf uit te maken voor een vuile rover als hij zijn honger stilt met een fazant.
8. Van alles dat er mis gaat in het dorp krijgt de wolf nu de schuld. Hij wordt zwart gemaakt zonder dat er echte bewijzen voor zijn. Is die wolf nou werkelijk onschuldig of alleen maar sluw en doortrapt? Opnieuw zijn Dorien en Bart het heftig oneens met elkaar. Maar Bart heeft ook bewondering voor Dorien, die zich niet gauw van de wijs laat brengen.
9. Het dorp gonst van de geruchten. De wolf zou nou zelfs de hond van de burgemeester hebben opgegeten. Nu is hij toch te ver gegaan! De burgemeester roept de hulp in van zijn vriend Boemerang Paul, een jager in groot wild. Er komt een enorme klopjacht!
10. Bart moet niet veel van die wolf hebben, maar zo’n enorme overmacht vindt hij oneerlijk. Hij loopt het bos in om de wolf te waarschuwen. Maar ziet niet dat vanachter dicht struikgewas Dorien en de wolf naar hem zitten te kijken.
11. Boemerang Paul is een premiejager, iemand die voor geld dieren doodt. Veel mensen zijn blij met zijn komst. Als hij belooft om de wolf snel uit de weg te ruimen, wordt hij luidkeels toegejuicht.
12. Dorien heeft de wolf proberen over te halen om te vluchten. Maar de wolf is gebleven. Misschien was hij het zat om alsmaar te vluchten. Of misschien dacht hij de premiejager toch nog te slim af te zijn…

 

BLIJF KLEIN

Je hoort zo vaak: De wereld wordt steeds kleiner!
Ja, vind je ‘t gek? De kinderen worden alsmaar groter!
Sommigen wel twee meter lang.
Zo wordt de wereld gauw te klein.
Als dit zo doorgaat, ben ik bang
dat er straks alleen nog staanplaatsen zijn.
Dus:

Blijf klein, blijf klein.
Maak Nederland twee maal zo groot.
Overtuig je klasgenoot:
Blijf klein, blijf klein.
Neem nooit spinazie op je bord,
eet niks waar je groot van wordt.
Blijf klein, blijf klein,
dan zal er overal meer ruimte zijn.

Als baby word je honderd keer gewogen,
want je moet groeien, alsmaar verder, vlugger, hoger.
Wat zou men schrikken van een dwerg
van, zeg maar, krap één meter lang!
Maar allemaal klein zijn, is niet erg,
integendeel, tis juist in ieders belang!
Dus:

Blijf klein, blijf klein…

Kleiner wonen, kleiner rijden,
tuinen groter, wegen wijder.
Minder filles, minder jachtig.
Als we allemaal klein zijn,
scheelt dat heus reusachtig!

Blijf klein, blijf klein.
Maak Nederland tweemaal zo groot.
Overtuig je klasgenoot: 
Blijf klein, blijf klein.
Neem nooit spinazie op je bord,
eet niks waar je groot van wordt.
Blijf klein, blijf klein,
dan zal er overal meer ruimte zijn!

Op muziek gezet door Harry Bannink en gezongen door Loes Luca in een aflevering van Het Klokhuis over de gemiddelde lengte van de mens (waar in het Westen iedere tien jaar een paar centimeter bijkomt)

Voor boekingen en informatie: www.janwillemsen.nl

Panorama Theme by Themocracy