
ONVERKLAARBAAR GELUKKIG
Dit is de titel van het boek dat Rob Chrispijn, Martin Melchers en Fred Nordheim hebben geschreven over de natuur in Amsterdam (en de rest van Nederland). Met deze bundeling van verhalen, korte observaties, gedichten en veel foto’s vieren zij dat ze in 2004 zestig zijn geworden en dat ze al zo’n vijftig jaar vrienden zijn:
“Onverklaarbaar gelukkig” is te bestellen door 10 euro over te maken op postgiro 7877 219 t.n.v. Stichting Hypoxylon, Jodenweg 1, 8385 GP Vledderveen, met duidelijke vermelding van naam en adres. Het boek wordt u zo snel mogelijk toegestuurd. Mocht de eerste oplage uitverkocht zijn, dan komt u op een wachtlijst.
DRIE JONGENS, EEN PASSIE
Drie jongens ontmoeten elkaar in de grootste zandbak die Nederland ooit gekend heeft: de opgespoten velden van de westelijke tuinsteden en het Westelijk Havengebied van Amsterdam. Ont-moeten betekent niets hoeven. En dat klopte. Ver weg van de regelzucht en bevoogding van volwassenen waren deze velden een vrijplaats. Je kon er vogels kijken, nesten zoeken, planten bestuderen, in een schuiltent kruipen, door de bagger lopen, in de zon liggen, wegdromen, honderduit kletsen, kortom: je kon doen wat je wou. Een ongekende weelde die thuis en op school al zeldzamer werd, maar die naarmate wij opgroeiden steeds opnieuw veroverd moest worden.
Natuur was toen nog overal
voor niks, voor nop, voor niemendal.
Leeuweriken in de buitenwijken.
Voor wie de moeite nam te kijken,
was het bijzondere gewoon en pas na jaren
bleek wat een geluksvogels wij waren.
Rob Chrispijn (tekstdichter):
‘Temidden van een stel reuzen zwom en spetterde hij onbekommerd rond, alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Biologen zijn altijd huiverig om aan dieren menselijke emoties toe te schrijven. Maar je moest wel stekeblind zijn om niet te zien dat dit eendje het ontzettend naar z’n zin had.’
Martin Melchers (fysiotherapeut en stadsecoloog):
‘Eindeloos scharrel ik met takken rond om de juiste boomvork te vinden, maar steeds als ik ga vlechten stort het nest in. Mijn respect voor eksters neemt zienderogen toe. Door klei en gras te gebruiken, lukt het me toch om op deze middag drie nesten te maken.’
Fred Nordheim (fotograaf bij Artis):
‘Dat daar van z’n lange lieve leven nog nooit een hagedis ook maar aan had gedacht om zich op die plek te vestigen, hield ons niet bezig. We besloten om ze een zachte landing op het water te laten maken. Klootzakken waren we, maar aardige klootzakken.’
Drie natuurliefhebbers doen verslag over de natuur in Amsterdam en de rest van Nederland. Zij behoren tot de ’spuitveldgeneratie’, jongens die een groot deel van hun jeugd doorbrachten op de opgespoten velden van Amsterdam. Daar zagen zij hoe kale zandvlakten zich ontwikkelden tot terreinen met een weelderige begroeiing en een rijk dierenleven. Veel van deze velden deden niet onder voor officiële natuurgebieden, maar hadden het voordeel dat je er kon doen en laten wat je wou. ‘Elk voordeel heb z’n nadeel’ om met een tijdgenoot te spreken. Naarmate de economie aantrok, moesten de spuitvelden plaatsmaken voor de oprukkende industrie.
Dankzij hun jarenlange waarnemingen – die zich uitstrekken over een periode van vijftig jaar – waren zij getuige van de grote veranderingen die zich in ons land hebben voorgedaan. De buidelmees verscheen, de kuifleeuwerik verdween. Ekster, fuut en aalscholver trokken de stad in. Beken werden gekanaliseerd en mochten een generatie later weer kronkelen. Natuur werd een product, maakbaar en verplaatsbaar.
Dit boek is een bundeling van korte observaties en langere stukken die een intense aandacht en liefde voor de natuur gemeen hebben. Zonder opsmuk schreven zij op wat hen heeft ontroerd en verwonderd. In de vaak hilarische verhalen maken zij de lezer deelgenoot van hun belevingswereld.
HET PARADIJS (Rob)
De Kabelweg was de naam voor een opgespoten veld op de plek waar nu de auto’s op de ringweg vaak in de file staan voor de Coentunnel. Het bleek veel minder ver fietsen te zijn dan ik had gedacht. Het zand was schaars begroeid met graspollen, er lagen schelpenbanken en er was een ondiep meertje waar ook in droge zomers water bleef staan. Dat laatste was belangrijk, leerde ik, want dat bepaalde of jonge plevieren en andere nestvlieders tot in de zomer voldoende insecten konden vangen in de vochtige vegetatie langs de waterkant. Ik leerde nog meer. Want hier liepen jongens rond, die weliswaar van mijn leeftijd waren, maar duidelijk echte kenners. Dat zag je meteen. Ze hoefden ook niet op te scheppen, ze lieten gewoon een paar nesten zien. Dat gebeurde met een vanzelfsprekendheid die jarenlange ervaring verraadde. Ze wezen op een met schelpengruis bekleed kuiltje waar een Kleine plevier vier vaag lila gestippelde, zandkleurige eieren in had gelegd. Het duurde een paar seconden voor ik ze zag, zo goed was hun schutkleur tegen een achtergrond van zand en schelpen. Ik was er stil van. Met een visdiefnest was ik al heel erg blij geweest. Van dat van een Kleine plevier had ik nooit durven dromen. De jongen die Fred heette, maar door iedereen Snor of Snorrie werd genoemd, was bezig om op een laag statief een klapcamera te bevestigen. Aan de ontspanner zat een dun draadje wat zes meter verderop naar een plek leidde waar Snor onder een vale oude jas ging liggen. Of ik even voor hem wilde weglopen. Ik was natuurlijk maar al te graag bereid om iets terug te doen.
De meeste vogels kunnen slecht tellen. Dus als ze iemand weg zien lopen, denken ze al gauw dat het gevaar geweken is. Natuurlijk stond er dan nog wel dat zwarte apparaat voor z’n snufferd en verderop lag een lap die soms scheen te bewegen. Dus het duurde wel even voor de broeddrift het won van de terechte argwaan. Vanaf een verderop gelegen grasdijk lag ik te kijken of de plevier op het nest kwam. Na een kwartier zeg ik dat Snor een hand opstak en kwam ik weer het veld oplopen, zodat de Kleine plevier opvloog en niet zag hoe er vanonder de jas een mens te voorschijn kwam. Want dan vertrouwde hij de zaak niet meer en zou het veel langer duren voor hij misschien eindelijk toch nog op de eieren ging zitten. De film werd doorgedraaid, de sluiter gespannen en ik moest opnieuw weglopen. Het was wel een manier om je geliefd te maken! Op het dijkje lag inmiddels ook Martin. Hij was een vriend van Snor en had de scherpste ogen van iedereen. Vaak leek het of hij zonder kijker beter zag waar een Kemphen door het gras sloop dan ik met kijker! Martin vertelde dat ze al een tijdje hoopten dat de Kemphaan hier ging broeden. Kievit, Tureluur, Grutto, Kluut en Kleine plevier broedden al op de Kabelweg, maar het zou heel bijzonder zijn als de meest veeleisende weidevogels Kemphaan en Watersnip het ook zouden proberen. Dat is een aantal jaren later inderdaad gebeurd. Het gebied was toen op z’n top met een afwisseling van hoger gras, losse pollen, zandbanken en waterpartijen. Dat een schuwe soort als de kemphaan zo dicht bij de stad ging broeden was al bijzonder, het werd helemaal wonderbaarlijk toen Martin een nest vond met lichtblauwe eieren. Normaal legt de Kemphen bruine eieren met donkerder stippen, net zoals die van de Kievit of Tureluur. Deze lichtblauwe eieren leken van een ander planeet te komen. Onze opwinding bedaarde wat toen we later van Meneer Walters hoorde dat uit de literatuur zeldzame gevallen bekend waren van lichtblauwe Kempheneieren. Meneer Walters was een van de weinige volwassenen die we op de Kabelweg tegenkwamen. Hij had een baan, droeg een keurig pak en bereed een zwarte herenfiets. Wij zeiden daarom altijd keurig meneer tegen hem. Hij was onze vraagbaak, speciaal op het gebied van plevieren leek er weinig te zijn wat hij niet wist.
Behalve de Kemphaan kwam ook de Watersnip hier tot broeden. Al even heimelijk als de eerste. Ik kan me ook niet herinneren dat ik hem heb horen baltsen, terwijl wij in het voorjaar tocht vrijwel elke dag minstens enkele uren in het veld waren. Kluten daarentegen waren niet te missen. Elegante maar luidruchtige types die met een kleine tien stuks op de meest kale delen rond de plas broedden. Eenmaal hadden wij het geluk een Kluut in het veld te hebben wiens broeddrift zo groot was dat hij zich niet of nauwelijks van de eieren liet verjagen. Hield je een paar meter afstand dan bleef zij – of hij, er is op het oog geen verschil – rustig zitten broeden. Iedereen die maar even een fototoestel kon vasthouden, heeft er wel een foto van gemaakt. Met iedereen bedoel ik de hooguit tien mensen die de Kabelweg bezochten. Je herkende elkaar op 200 meter afstand. Wie vreemd was werd met vereende krachten zo snel mogelijk het terrein uitgekeken. Een ontmoedigingsbeleid dat zelden hoefden worden toegepast, want vogels kijken was in de zestiger jaren weinig populair. Men zag het als een afwijking die je maar beter voor je kon houden. Voor afwijkende types zoals wij, was de Kabelweg een paradijs. En hoewel de meeste van ons, jong als wij waren, ons konden verheugen op verrassende wendingen die zich in ons leven konden voordoen, hoopten wij allemaal vurig dat hier in dit gebied alles bij het oude zou blijven. Een vrome wens!
OOG GROTER DAN DE MAAG (Martin)
In een telefoontje naar afdeling stadsecologie maakt een aannemer melding van kikkerdril in een vijver achter een garage die hij aan het afbreken is. Deze man houdt van de natuur en hij vindt het jammer als het dril verloren gaat. Als ik dezelfde dag langs kan komen dan legt hij het werk wel even stil. Met twee grote emmers meld ik me twee uur later op de afgesproken plaats. “Ik loop wel effe met u mee”, zegt de aannemer en hij loodst me achter wat steenhopen langs naar wat ooit een binnentuintje is geweest. In de half afgebroken vijver liggen wel vijftig schollen dril van bruine kikkers. Op de rand staat een blauwe reiger. Voor hem zie ik een bruine kikker zwemmen. De reiger buigt langzaam door zijn poten en maakt een stotende beweging naar de kikker, maar pakt hem niet. Nu dringt past tot me door wat er aan de hand is. Er zwemmen wel honderd grote bruine kikkers. De reiger wil ze nog wel pakken, maar hij zit tot aan zijn strot toe vol. Bol, met nog een zichtbaar bewegende kikker in zijn lange hals, staat hij glazig naar het overheerlijke maal te kijken. Er kan echt geen kikker meer bij.
Dat reigers soms van geen ‘ho’ weten als het op eten aan komt, had ik al eens gezien toen een beroepsvisser zijn vangst stond te sorteren. Reigers kennen de goede plekken in de stad en deze stond naast de visser op een hoge stenen loswal vis in ontvangst te nemen. Een beschadigde blankvoorn ging soepel naar binnen, een gammel baarsje en een mooie blei was de laatste vis die ik nog registreerde. Informerend naar bijzondere vangsten vlogen er steeds vissen richting reiger. “Die kan wat op”, zei ik vol ontzag toen de stroom visafval gestopt was. De reiger schudde even zijn veren en maakte aanstalten om weg te vliegen. Met een sierlijke vleugelslag maakte hij zich los van de kademuur en dook loodrecht het water in. Hij was te zwaar beladen en moest met een schepnet worden gered. Hij werd op de kant gezet waar hij onrustig heen en weer begon te hollen. Waarschijnlijk om te spijsvertering wat te stimuleren. Dieren kunnen zich letterlijk dood eten.
EENDJE, TWEETJE, DRIETJE…(Fred)
Ik fietste naar huis langs de rij gebouwen aan de achterkant van Artis. Hoog boven mijn hoofd hoorde ik een gepiep dat mij bekend voorkwam. Het was het gepiep van jonge eendjes. Toen ik stopte, klonk naast mij gekwaak, eendengekwaak. Verbaasd nam ik het geheel in mij op.
Jan, de loodgieter van Artis, was op ditzelfde moment aan het werk op het dak. ‘Zie jij soms jonge eendjes?’, vroeg ik hem. Hij keek me aan of ik gek was; dat doen er wel meer in Artis. ‘Kijk even of je ergens jonge eendjes ziet’, bleef ik aandringen, ‘waarschijnlijk in de dakgoot’. Zijn verbazing was al even groot als die van mij, want in de dakgoot krioelde het van de jonge eenden. Op hetzelfde ogenblik klonk er bij mijn voet een dof plofje. En daar lag een jong eendje. Nog een plofje en daar lag een jong tweetje. Een derde maakte zich los van de dakgoot. Dat werd teveel voor mijn vaderhart: hup, vangen! En zo gebeurde het dat ik van links naar rechts huppend zo’n acht eendjes kon opvangen. Moeder stond naast mij en liet mij rustig begaan. Samen met de kinderen zijn we toen de parkeerplaats van Artis overgestoken. Na zo’n honderd meter sprong moeder met haar kroos letterlijk tussen de wal en het schip in het Etrepotdok. ‘The End’ als in een ouderwetse Amerikaanse film met een happy end ontbrak nog. Als fotograaf in een heldenrol kan je jezelf nooit fotograferen, maar wel tekenen natuurlijk. (In het boek volgt dan een tekening van Fred)
ONVERKLAARBAAR GELUKKIG
Er zijn veel manieren om je verjaardag te vieren. Omdat we dit jaar alledrie zestig zouden worden, besloten we een boek te schrijven over een onderwerp dat ons al ons hele leven bezighoudt: de natuur in en om Amsterdam.
Je zou kunnen zeggen dat wij tot de ‘ spuitveldgeneratie’ behoren, jongens die een groot deel van hun jeugd doorbrachten op de opgespoten velden van Amsterdam. Gratis en voor niks zagen we hoe kale zandvlaktes zich ontwikkelden tot weelderig begroeide savannelandschappen waar fitis, blauwborst en nachtegaal zich thuis voelden. Dit boek geeft met meer dan zestig foto’s een beeld van het ‘ Wilde Westen’ van Amsterdam, over een periode waarin zich ook in de rest van Nederland op natuurgebied grote veranderingen hebben voorgedaan.
Als een verjaarscadeau aan ons zelfverschijnt in de loop van november “Onverklaarbaar gelukkig”, een bundeling observaties en verhalen over boze hazen, een linke sperwer, patatratten en een wandelende vogelschuilhut.
De titel slaat op de ontroering die je soms kan overvallen als je vroeg in het voorjaar opeens de eerste grutto hoort, of een spreeuw ziet die in vervoering zijn vleugels spreidt en een fluitconcert geeft op een afvalbak bij de Albert Cuyp.
Om het uitkomen van dit boek tot een feestelijke gebeurtenis te maken, nodigen wij u uit om op woensdagmiddag 24 november, vanaf vijf uur aanwezig te zijn in:
Kanaal 10 – Plantagedoklaan 8-12
(Voorbij de hoofdingang van Artis, eerste straat links)
Die middag zal ons boek op gepaste wijze gepresenteerd worden. Dit prachtboek zal daar ook verkrijgbaar zijn, tegen de weggeefprijs van 8 euro! (Winkelprijs een paar euro meer)
Dus koop voor de feestdagen een flinke stapel en geef met gulle hand aan vrienden en bekenden – een tip van Fred (zoon van een marktkoopman)
Martin Melchers, stadsecoloog van Amsterdam
Fred Nordheim, fotograaf van Artis
Rob Chrispijn, tekstdichter
MIS
Als jongen dook ik naar een hagedis
die in de zon zat; ‘t scheelde ‘n haartje.
Ik dacht nog wel: Ik heb hem! Maar ‘t was mis,
ik had alleen het staartje.
Hoe dikwijls dook ik later niet naar dingen
en bleek dat achteraf nét mis.
Mazzel valt niet af te dwingen,
geluk is net een hagedis!
www.robchrispijn.nl